Omslag Capitalism and Freedom

Kapitalisme als voorwaarde voor vrijheid

Geplaatst door

Competitief kapitalisme is een voorwaarde voor politieke vrijheid, stelde Milton Friedman in zijn beroemde en invloedrijke boek Capitalism and Freedom uit 1962. Veertig jaar later stelde hij zijn opvatting bij. Kapitalisme is een voorwaarde voor burgerlijke vrijheid, niet voor politieke. Hoe zit dat?

Volgens Friedman zijn er twee manieren om een economisch systeem te organiseren: gebaseerd op vrij initiatief of gebaseerd op planning en dwang. De eerste manier is die van het competitieve kapitalisme. De tweede manier die van het socialisme. Socialisme staat dan gelijk aan staatsdwang en politieke onvrijheid, kapitalisme aan eigen initiatief en politieke vrijheid.

Unanimiteit zonder conformiteit

Omslag Capitalism and Freedom
Omslag Capitalism and Freedom (1962|2002)

Maar waarom is economische vrijheid een voorwaarde voor politieke vrijheid? Dat heeft te maken met macht. Politieke macht is volgens Friedman niet goed deelbaar. Uiteindelijk is er één leider die de besluiten neemt en diens besluiten moeten dan worden opgevolgd, of er is een meerderheid die voor iedereen bepaalt wat er moet gebeuren. Hoe groter de reikwijdte van de politiek, over hoe meer onderwerpen een ja-of-nee-beslissing wordt genomen. Een democratisch besluit kan zo de vrijheid van minderheden ernstig inperken. Binnen de markt heb je dat probleem niet. De markt zorgt voor effectieve proportionele representatie omdat hij zorgt voor unanimiteit zonder conformiteit (p23). Daar hoeft geen meerderheidsbeslissing genomen te worden, pluriformiteit is er mogelijk. Jij kan ervoor kiezen om op zondag je winkel te sluiten, maar dat hoeft de rest van Nederland niet verplicht te worden. Hoe groter de sfeer van de markt, hoe meer pluriformiteit.

Dat betekent niet dat er geen overheid nodig is – Friedman is geen anarchist. Voor het organiseren van defensie is die bijvoorbeeld wel degelijk nodig. En er zijn vormen van marktfalen waarbij overheidsinterventie gewenst is: a) als er bijvoorbeeld voor een technisch probleem nog geen goede oplossing zijn – een ‘technisch monopolie’; b) als de markt niet voorziet in het beprijzen van positieve of negatieve bij-effecten van een handeling of product – ‘neighbourhood-effects’; c) als er sprake is van meelift-gedrag – free riding – waardoor collectieve actieproblemen ontstaan. Voorkomen moet worden dat te veel macht op een plek terecht komt. Daarom moet de overheid zo gedecentraliseerd mogelijk zijn – de macht moet op het laagst mogelijke niveau worden uitgeoefend.

Algemeen principe

Friedman vindt het belangrijk om zaken niet op hun merites te beoordelen, om omstandigheden niet te laten meewegen bij het vellen van een oordeel (p113). Wie kijkt naar de omstandigheden is geneigd alleen de korte termijn in ogenschouw te nemen en geen oog te hebben voor de effecten op de lange termijn. We moeten daarom kijken naar het onderliggende principe wat in het geding is. Of het nu gaat om monetair beleid, armoedebestrijding, positieve discriminatie, onderwijs of internationale handel – het onderliggende principe om je afwegingen op te baseren moet uiteindelijk vrijheid zijn. Door te kijken naar het onderliggende principe realiseren mensen zich dat hun opvattingen lang niet altijd stroken met die van de meerderheid (dat ze dus vaak een minderheid zijn) en zullen ze uiteindelijk toleranter worden, denkt Friedman.

De markt heeft een sterk emanciperende werking. Het Middeleeuwse gildensysteem kende een systeem van coöptatie, waarbij een beroepsgroep de macht had om te bepalen wie er nog meer tot de beroepsgroep toe mocht treden. Dat gaf leden van de beroepsgroep veel macht, ook de macht om voor het vak irrelevante of oneigenlijke criteria (zoals religie) toe te passen bij het bepalen van wie het beroep mocht gaan uitoefenen. De vrije markt maakte dat bijvoorbeeld joden buit

en de gilden een bestaan konden opbouwen. Minderheden zouden daarom positief moeten zijn over het kapitalisme. Dat veel joodse intellectuelen van zijn generatie kritisch waren over het kapitalisme vond Friedman onbegrijpelijk en moeilijk verteerbaar, beschrijft ook Angus Burgin in The great persuasion (2012).

Discriminatie

De markt maakt dat kenmerken die voor productiviteit niet relevant zijn, geen rol spelen. Een winkelier die geen zwarte caissière aan wil nemen, doet dat niet omdat hij racistisch is. Hij doet dat omdat dat de voorkeur van zijn klantenpopulatie weerspiegelt. Als hij toch een zwarte caissière aan zou nemen, zouden zijn klanten naar een andere winkel gaan, zou hij failliet gaan en zouden zijn klanten duurder uit zijn. Positieve discriminatie is alleen al daarom bijzonder onverstandig. Het lijdt bovendien tot actief aangedane schade (‘positive harm’, p112, een analogie met Berlins positieve vrijheid?) en dat is slecht. ‘Negative harm’ (schade door iets niet te doen) is niet erg. Discriminatie is gebaseerd op voorkeuren en smaak. Smaak kun je veranderen door discussie, niet door dwang (p113).

Onderwijs

Friedman is voorstander van overheidsbemoeienis met het onderwijs voor zover onderwijs bijdraagt aan burgerschapsvorming en ‘community leadership’ (p99). Omdat het gunstige neighbourhood effects heeft wanneer de populatie in ieder geval kan lezen, schrijven en rekenen, is hij voorstander voor basisonderwijs voor iedereen. Maar verreweg de meeste beroepsopleidingen en universitaire studies zijn een investering in je eigen ‘human capital’, in je eigen toekomstige verdiencapaciteit. Daar hoeft de gemeenschap niet voor op te draaien. Hoewel overheidsbemoeienis met het basisonderwijs dus gewenst is, moet die bemoeienis via de markt vormgegeven worden. Dat kan het beste met een vouchersysteem (leerrechten). Ouders krijgen voor een kind een voucher waarmee zij bij een school onderwijs in kunnen kopen. Aan zo’n voucher is een individueel lumpsum bedrag gekoppeld. Alle onderwijskosten voor een kind zitten erin vervat. De school waar het onderwijs wordt afgenomen krijgt dus geen subsidie voor gebouwen of salarissen. Die kosten moet allemaal uit het aan de vouchers gekoppelde bedrag betaald worden. Ouders kiezen dan de school die hun voorkeuren het dichtst benadert, denkt Friedman, en het zal de segregatie in het onderwijs tegengaan en de onderwijskwaliteit verhogen. Voor beroepsonderwijs en hoger onderwijs is Friedman voorstander van door de overheid verstrekte[1] leningen die bij de inkomstenbelasting weer terugbetaald worden.

Ongelijkheid

Friedman beoordeelt economische ongelijkheid als iets positiefs. Het zorgt namelijk voor dynamiek en voor nieuwe ideeën. Rijke individuen,  ‘patrons’, mecenassen, hebben een heel belangrijke rol bij het bevorderen van nieuwe ideeën (p17). Zij kunnen besluiten een individu financieel te ondersteunen waardoor nieuwe ideeën tractie krijgen. Het maakt politieke vernieuwing mogelijk omdat de macht over ideeën zich op verschillende locaties bevindt. Daarvoor is economische ongelijkheid noodzakelijk – zonder rijke individuen geen ‘patrons’.

Monopolies

Monopolies die ontstaan op de markt zijn over het algemeen geen probleem, zegt Friedman. Ze lossen vanzelf wel op. Dat is anders wanneer de monopolies door overheidsbemoeienis tot stand komen of in stand gehouden worden. Die zijn problematisch omdat dat politieke macht een economische macht gekoppeld wordt en dat leidt uiteindelijk tot een totalitaire staat. Soms is een overheidsmonopolie zinvol omdat er bijvoorbeeld vooralsnog onoverkoombare beperkingen zijn; de overheid heeft dan een monopolie om technische redenen. De enige manier om te onderzoeken of het monopolie nog steeds nodig is, is door private aanbieders naast de overheid toe te staan. Als het overheidsmonopolie echt nodig is, dan zullen zij het niet redden. Als zij wel overeind blijven in de markt, dan kan het overheidsmonopolie worden opgeheven.

Drie vormen van vrijheid

In de inleiding van de editie die uitgegeven werd ter gelegenheid van de veertigste verjaardag van de verschijningsdatum van Capitalism and Freedom (2002) schreef Friedman dat hij één ding zou veranderen als hij het boek opnieuw zou schrijven. Economische vrijheid is geen noodzakelijke voorwaarde voor politieke vrijheid, zoals de opkomst van Singapore liet zien. Alleen voor burgerlijke vrijheid is economische vrijheid noodzakelijk. Als Friedman het boek opnieuw zou schrijven, zou hij een drieslag van vrijheden hanteren – economisch, burgerlijk en politiek – waarbij politieke vrijheid een ondergeschikte plek inneemt. Veel meer dan dat zegt hij er niet over.

Hierboven vatte ik kort Friedmans argumentatie samen met betrekking tot discriminatie, onderwijs, economische ongelijkheid en monopolies. Wie zijn argumentatie leest met in zijn achterhoofd de inleiding uit 2002, ziet dat hij vaak burgerlijke vrijheid bedoelde waar hij politieke vrijheid schreef. Waar zou zijn denkfout uit 1962 vandaan komen? Is het de ‘binaire mythe’, de redenatie dat de keuze in politieke systemen beperkt is tot een keuze is tussen totalitair socialisme en vrij kapitalisme, dat overheidsingrijpen een glijdende schaal naar een totalitaire samenleving inhoudt? Is het Koude Oorlogsretoriek? Ik weet het niet.

Hoewel Friedman heilig gelooft in economische vrijheid omdat het politieke vrijheid mogelijk maakt, heeft hij weinig oog voor machtsongelijkheden ten gevolge van economische ongelijkheid. Hij beschouwt vakbonden bijvoorbeeld als monopolievorming die het vrije afsluiten van contracten tussen werkgevers en werknemers belemmeren. Friedmans tegenstanders zouden zeggen dat werkloosheid maakt dat werknemers geen gelijkwaardige onderhandelingspositie hebben. Werkgevers kunnen immers altijd zeggen ‘voor jou tien anderen’. Vakbonden zorgen daarom voor een gelijker speelveld, zouden critici zeggen.

Friedmans gehechtheid aan de natie kan ik voor iemand met zo’n liberale inslag niet plaatsen. Is die puur pragmatisch? Dat geldt ook voor zijn gehechtheid aan het gezin. Hij gebruikt de termen gezin en individu als inwisselbaar[2]. Dat lijkt mij niet vanzelfsprekend.

Habermas heeft een beroemde kritiek op de markt die de leefwereld koloniseert. Ik vermoed dat Friedman het geen kolonisering zou hebben gevonden, maar emancipatie. Hoe kun je nou tegen vrijheid zijn? Wie Friedmans redenatie volgt, heeft geen argumenten meer om instituties te verdedigen, om sferen te vrijwaren van de markt. Alles wordt een individuele keuze, een kwestie van smaak. Dat kan bevrijdend werken. Maar ik kan me toch niet aan de indruk onttrekken dat er iets waardevols verloren gaat.

[1] Het liefst zou hij ook dit aan de markt overlaten, maar hij vermoedt dat dat tot te weinig investeringen zal leiden omdat een aandeel kopen in iemands toekomstige verdiencapaciteit (p 103) bijvoorbeeld tot uitvoeringsproblemen bij de terugbetaling leidt.

[2] Hij is bovendien kritisch over ‘gebroken gezinnen’; sociale huurwoningen met inkomensgrenzen zouden leiden tot gebroken gezinnen (p180).